Het ontstaan van De kamer

De kamer is Harry Mulisch’ eerste gepubliceerde verhaal. Het verscheen in 1947 in Elseviers weekblad en het verschijnen werd door Mulisch zelf als beslissend ervaren. Het feit dat er een werk van hem gedrukt was maakte grote indruk:

Toen ik de krant opensloeg en het zag staan, wist ik: – dit is het. Alles wat er verder in die krant stond, werd overstraald door het licht dat ik toen zag, en ook alles in alle andere kranten en boeken waar ook ter wereld, te land, ter zee of in de lucht, – ik keek naar mijn naam als naar de opkomende, zij het voorshands verkeerd gespelde zon, die sterren en planeten deed verbleken.

Omslag van De kamer

De boekuitgave van De kamer uit 1997

Aldus beschreef hij het op kenmerkende wijze in Mijn getijdenboek, waar een kopie van het verhaal zoals het verscheen in de krant staat afgedrukt (met auteursnaam H.K.V. Mulivsch). Tot een nieuwe publicatie kwam het voorlopig niet; het ontbrak in De verhalen 1947-1977. In 1984 verscheen wel een roofdruk, maar officieel werd het pas gepubliceerd als bijlage bij de cassette De romans (1997).

Mulisch schreef over het ontstaan van De kamer in Zelfportret met tulband. In het ‘Ve vandaag (1946)’ beschrijft hij hoe hij zijn geïnterneerde vader (K.V.K. genoemd) gaat bezoeken. Hij heeft geen geld en gaat liftend door sneeuw en vrieskou naar het kamp in Wezep.

Lees verder

Briefwisseling van Hannah Arendt en Harry Mulisch

In 1964 stuurde Harry Mulisch de Duitse vertaling van De zaak 40/61 (Strafsache 40/61) naar Hannah Arendt. Mary McCarthy had hem dat aangeraden. Mulisch had Arendts boek uit 1963 gelezen en merkt op dat hij getroffen was door de gelijkenis in hun beider theorieën.
De briefwisseling van Hannah Arendt en Harry Mulisch uit 1964 bevestigde de overeenkomst tussen hun beider theorieën over Adolf Eichmann.
Arendt stuurde Mulisch een brief terug, waarin ze zei ook een sterke gelijkenis te zien in aanpak en theorie. Ze reviseerde op dat moment de Duitse vertaling van haar boek en meldt dat ze Mulisch daar een aantal keer in citeert. Deze citaten zijn in latere uitgaven van haar boek behouden, onder andere in de Nederlandse vertaling.

In een zoektocht op internet ben ik deze brieven jaren geleden tegengekomen. Ze maken deel uit van de collectie ‘The Hannah Arendt Papers’ van de Library of Congress in Washington, D.C. Ik heb ze hieronder uitgetikt.
Lees verder

‘Dat zijt gij’. De filosofie van masker en niets van Harry Mulisch

Dit is een poging om de essentie van mijn doctoraalscriptie van ruim 200 pagina’s terug te brengen tot één essay over de filosofie van masker en niets van Harry Mulisch. De leesbaarheid komt door dit twijfelachtige streven zonder enige twijfel ernstig in het gedrang, maar vanwege voldoende positieve reacties neem ik het stuk hier toch op. Wat erin staat klopt trouwens grotendeels.

Het stuk mag beschouwd worden als een hommage aan E.G.H.J. Kuipers.

Lees verder

Duivels perspectief: Lucifer in de ontdekking van de hemel

Van alle publicaties over De ontdekking van de hemel is het boekje van Peter Henk Steenhuis me het liefst.

Alles is altijd uit de bijbel. Schriftuurlijke verwijzingen in De ontdekking van de hemel (1995) is de titel van Steenhuis’ bijdrage aan de vroege reacties op De ontdekking van de hemel. Het is een bewerking van een afstudeerscriptie en hoewel dat op sommige plekken iets te zeer merkbaar is, bevat het een groot aantal knappe vondsten en bruikbare observaties. Ik kom daar in een latere notitie op terug.

Lees verder

Over deze notities (1)

In december 1992 kreeg ik De ontdekking van de hemel cadeau. Ik zat in mijn eindexamenjaar en in een zeldzame vlaag van discipline besloot ik het boek pas na mijn laatste examen te lezen. Ik moest voor Nederlands, Duits, Engels en Geschiedenis nog een mondeling schoolonderzoek doen, waarvoor de nodige boeken moesten worden gelezen.

Het omslag van de eerste drukken van De ontdekking van de hemel

Het moet dus ergens in mei 1993 zijn geweest dat ik het boek las. Ik las het in één nacht uit. Ik vond het een geweldig boek en deze ervaring was het begin van een innige relatie met het oeuvre van Harry Mulisch. Ik studeerde erop af, met een doctoraalscriptie van ruim 200 bladzijdes A4. Tijdens het schrijven kon ik duidelijk mijn enthousiasme niet de baas; ik kon maar niet ophouden.

Sindsdien ben ik geruime tijd van plan geweest om – desnoods in eigen tijd – te promoveren op het oeuvre van Harry Mulisch. Dat is er niet van gekomen, en zal er niet van komen. Naast gebrek aan tijd speelt me parten dat ik niet goed meer op de hoogte ben van wat er in de literatuurwetenschap gaande is. En wat ik op de universiteit geleerd heb, is trouwens al vrijwel verdwenen, althans zo diep weggezakt dat het me maanden zou kosten om weer enigszins op niveau te komen.

Vandaar deze notities, waar ik zonder al te veel regelmaat aan zal schrijven.

Het is simpelweg mijn bedoeling om mijn ideeën, vondsten en interpretaties rondom Mulisch’ oeuvre neer te schrijven en te delen met de geïnteresseerde websurfer. Doel daarachter is, om eraan bij te dragen dat dit oeuvre, dat me veel goeds heeft gebracht, levend blijft. Want het kan snel slecht aflopen, ook met zeer grote schrijvers.