Over waarheid en leugen in buitenmorele zin

Nietzsches vroege opstel Über Wahrheit und Lüge in aussermoralischen Sinne (1873) is nooit door hemzelf gepubliceerd. In de vorm waarin het te vinden is in Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe is het afkomstig uit Nietzsches aantekenboeken uit de vroege jaren zeventig van de negentiende eeuw. Het opstel maakte deel uit van een project dat doorgaans het ‘Filosofenboek’ wordt genoemd, en dat gewijd was aan thema’s als de relatie van de filosoof tot de cultuur en de analyse van waarheid en kennis. Über Wahrheit und Lüge behandelt voor een groot deel een gebied, dat hij in een eerdere tekst, Über das Pathos der Wahrheit (1872) al aan de orde had gesteld. Dit is duidelijk te zien aan letterlijk overeenkomende passages in beide teksten. Friedrich Nietzsche, 1869

Über Wahrheit und Lüge bestaat in de ons bekende vorm uit twee hoofdstukken. Nietzsche heeft bovendien aantekeningen gemaakt voor nog drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk, dat gewijd is aan de grenzen van de kennis en het ontstaan van de ‘waarheid’ uit de taal en haar systeem, heb ik vertaald. Ik heb daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van Daniel Breazeale in Philosophy and truth.

Ik publiceerde Over waarheid en leugen in 2002 in het Mulisch-nummer van Parmentier, mede omdat ik ernaar verwees in mijn stuk over de filosofie van masker en niets dat eveneens in dat nummer verscheen. Na de verhuizing van dat essay van bartdegoeij.nl naar deze website, leek het me een goed idee om ook de Nietzsche-vertaling op deze website op te nemen. Sinds 2002 heb ik een aantal, vooral stilistische, verbeteringen aangebracht.

Nietzsche hangt in dit essay nog een idealistische visie op de werkelijkheid aan, daarbij nadrukkelijk leunend op Schopenhauer en diens interpretatie van Kant. Omdat Nietzsche in Über Wahrheit und Lüge kennis van Schopenhauer bekend lijkt te veronderstellen, heb ik voor de duidelijkheid hier en daar wat commentaar bijgevoegd, dat ik deels betrokken heb uit de recente vertaling van Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung door Hans Driessen.

Lees verder

Het mirakel (2) ⋆ Zang

Rome brandt, Nero zingt (Zang, Het mirakel, Harry Mulisch)

Rome brandt, Nero zingt

Het verhaal Zang, uit de bundel Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen (1955), is typisch voor de bundel als geheel. Zoals ik eerder schreef in Het mirakel (1) ⋆ Gelijkenis, is deze verhalenbundel te beschouwen als een verzameling proefboringen naar thema’s en obsessies die steeds in Mulisch’ oeuvre terugkomen.

De hoofdpersoon, de heer Tiennoppen, krijgt in deze vertelling het masker op van de Romeinse keizer Nero.

Lees verder

Het mirakel (1) ⋆ Gelijkenis

Het mirakelLang geleden, in 2000, schreef ik voor het Nijmeegse vakgroepsblad Letterlik een stuk over Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen. Het artikel heette Het mooiste kleintje. Over ‘Het mirakel van Harry Mulisch’. Ik kan het nu niet terugvinden, maar herinner me vagelijk welke onderwerpen ik aansneed. Op deze website ga ik dat artikel dunnetjes overdoen. Niet omdat dat artikel zo goed was (al herinner ik me dat het lang niet slecht was), maar vooral omdat Het mirakel de aandacht verdient, zoals ik hoop aan te tonen met deze en de volgende notities.

Hoewel alle verhalen uit de bundel om dezelfde persoon draaien, namelijk de heer Tiennoppen, kun je eigenlijk niet spreken van een hoofdpersoon. De enige overeenkomsten tussen de protagonisten van de verschillende verhalen zijn de naam Tiennoppen en hun gezinssituatie. Als Mulisch voor ieder verhaal een andere naam had bedacht, dan zou dat niet wezenlijk hebben uitgemaakt, behalve de humor die schuilt in de afwisseling van rollen die Tiennoppen te spelen krijgt (die van pyromaan, brave huisvader, filosoferende moordenaar, Goethe, …).

Lees verder

harry-mulisch.nl actief

Logo harry-mulisch.nlVandaag heb ik deze website overgezet naar het domein harry-mulisch.nl. De verhuizing lijkt probleemloos verlopen te zijn.

Ik ga ervan uit dat mijn notities over Harry Mulisch vanaf vandaag gemakkelijker te vinden zijn voor de geïnteresseerde websurfer.

Gevangen in een net van fictie

In het Mulisch-onderzoek wordt regelmatig geprobeerd het oeuvre in te delen in periodes. De auteurs in kwestie relativeren de betekenis van deze opdelingen in het algemeen wel, maar het is opvallend dat het gebeurt, en blijft gebeuren.Zelf vind ik dit een onzinnige activiteit. Periodes aanbrengen in een oeuvre kan alleen maar door werken weg te moffelen of door grof te generaliseren. En daarbij heb ik nog nooit één snipper nut gezien van periodisering. Een van de redenen daarvoor is, dat er één “periode” is die nogal voor de hand ligt: die van de jaren zestig, waarin Mulisch geen fictie publiceerde en zich zeer links-geëngageerd opstelde. Heb je die periode al te pakken als onderzoeker, dan is het verleidelijk om ook ervóór en erna naar afbakeningen te zoeken.

De “periode” van de jaren zestig is intrigerend. Vanwaar de ommezwaai? Hoe komt het dat (uitgerekend) Mulisch in die jaren in een interview kon zeggen dat er weer een anoniem kunstenaarschap aan zat te komen, net als in de Middeleeuwen? Waarom schreef hij geen fictie meer?

Lees verder

Het ontstaan van De kamer

De kamer is Harry Mulisch’ eerste gepubliceerde verhaal. Het verscheen in 1947 in Elseviers weekblad en het verschijnen werd door Mulisch zelf als beslissend ervaren. Het feit dat er een werk van hem gedrukt was maakte grote indruk:

Toen ik de krant opensloeg en het zag staan, wist ik: – dit is het. Alles wat er verder in die krant stond, werd overstraald door het licht dat ik toen zag, en ook alles in alle andere kranten en boeken waar ook ter wereld, te land, ter zee of in de lucht, – ik keek naar mijn naam als naar de opkomende, zij het voorshands verkeerd gespelde zon, die sterren en planeten deed verbleken.

Omslag van De kamer

De boekuitgave van De kamer uit 1997

Aldus beschreef hij het op kenmerkende wijze in Mijn getijdenboek, waar een kopie van het verhaal zoals het verscheen in de krant staat afgedrukt (met auteursnaam H.K.V. Mulivsch). Tot een nieuwe publicatie kwam het voorlopig niet; het ontbrak in De verhalen 1947-1977. In 1984 verscheen wel een roofdruk, maar officieel werd het pas gepubliceerd als bijlage bij de cassette De romans (1997).

Mulisch schreef over het ontstaan van De kamer in Zelfportret met tulband. In het ‘Ve vandaag (1946)’ beschrijft hij hoe hij zijn geïnterneerde vader (K.V.K. genoemd) gaat bezoeken. Hij heeft geen geld en gaat liftend door sneeuw en vrieskou naar het kamp in Wezep.

Lees verder