Over waarheid en leugen in buitenmorele zin

Nietzsches vroege opstel Über Wahrheit und Lüge in aussermoralischen Sinne (1873) is nooit door hemzelf gepubliceerd. In de vorm waarin het te vinden is in Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe is het afkomstig uit Nietzsches aantekenboeken uit de vroege jaren zeventig van de negentiende eeuw. Het opstel maakte deel uit van een project dat doorgaans het ‘Filosofenboek’ wordt genoemd, en dat gewijd was aan thema’s als de relatie van de filosoof tot de cultuur en de analyse van waarheid en kennis. Über Wahrheit und Lüge behandelt voor een groot deel een gebied, dat hij in een eerdere tekst, Über das Pathos der Wahrheit (1872) al aan de orde had gesteld. Dit is duidelijk te zien aan letterlijk overeenkomende passages in beide teksten. Friedrich Nietzsche, 1869

Über Wahrheit und Lüge bestaat in de ons bekende vorm uit twee hoofdstukken. Nietzsche heeft bovendien aantekeningen gemaakt voor nog drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk, dat gewijd is aan de grenzen van de kennis en het ontstaan van de ‘waarheid’ uit de taal en haar systeem, heb ik vertaald. Ik heb daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van Daniel Breazeale in Philosophy and truth.

Ik publiceerde Over waarheid en leugen in 2002 in het Mulisch-nummer van Parmentier, mede omdat ik ernaar verwees in mijn stuk over de filosofie van masker en niets dat eveneens in dat nummer verscheen. Na de verhuizing van dat essay van bartdegoeij.nl naar deze website, leek het me een goed idee om ook de Nietzsche-vertaling op deze website op te nemen. Sinds 2002 heb ik een aantal, vooral stilistische, verbeteringen aangebracht.

Nietzsche hangt in dit essay nog een idealistische visie op de werkelijkheid aan, daarbij nadrukkelijk leunend op Schopenhauer en diens interpretatie van Kant. Omdat Nietzsche in Über Wahrheit und Lüge kennis van Schopenhauer bekend lijkt te veronderstellen, heb ik voor de duidelijkheid hier en daar wat commentaar bijgevoegd, dat ik deels betrokken heb uit de recente vertaling van Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung door Hans Driessen.

Over waarheid en leugen in buitenmorele zin

Er was eens, in een afgelegen hoek van het met talloze zonnestelsels flonkerend volgegoten heelal, een hemellichaam waarop slimme dieren het kennen uitvonden. Dat was de hoogmoedigste en leugenachtigste minuut van de “wereldgeschiedenis”: maar toch was het maar een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde het hemellichaam, en de slimme dieren moesten sterven.1Deze passage is ook te vinden in Über das Pathos der Wahrheit (PT, 79). Tevens klinkt misschien een vage echo van Schopenhauer: In de oneindige ruimte talloze lichtgevende bollen, om elke waarvan zo’n dozijn kleinere cirkelen, door de grote verlicht; ze zijn van binnen heet en overtrokken met een gestolde, afkoelende korst; op deze korst heeft een schimmellaag levende en kennende wezens voortgebracht.(WWV II, 13) Dit hoofdstuk heet ‘Over de idealistische visie’. — Zo’n fabel zou iemand kunnen bedenken en nog zou hij niet afdoende hebben geïllustreerd, hoe jammerlijk, hoe schaduwachtig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect eruit ziet in de natuur; er waren eeuwigheden waarin het er niet was; wanneer het ermee voorbij is zal er niets gebeurd zijn. Want er is voor dat intellect geen verdere missie, die boven het mensenleven uitstijgt. Integendeel: het is menselijk en alleen zijn bezitter en verwekker vat het zo pathetisch op, alsof de hele wereld erin rondwentelde. Konden we echter de mug verstaan, dan zouden we vernemen dat ook zij met dit pathos door de lucht vliegt en het vliegende middelpunt van de aarde in zich voelt. Er is niets zo verwerpelijk en onaanzienlijk in de natuur of het wordt door de eerste de beste zucht van deze kracht van het kennen opgeblazen als een ballon; en zoals iedere kruier zijn bewonderaar wil hebben, zo meent zelfs de trotste mens, de filosoof, van alle kanten de ogen van het heelal telescopisch gericht te zien op zijn doen en zijn denken.

Het is merkwaardig dat dit tot stand wordt gebracht door het intellect, dat wat aan de ongelukkigste, delicaatste en vergankelijkste wezens toch juist is toegevoegd als hulpmiddel, om ze een minuut in het bestaan vast te houden; zonder deze toevoeging zouden ze alle reden hebben om het, zo snel als Lessings zoon2Deze stierf op de dag van zijn geboorte. (PT, 80 noot 4) te ontvluchten. De met het kennen en waarnemen verbonden hoogmoed misleidt de mens, begoochelende nevel over zijn ogen en zintuigen leggend, over de waarde van het bestaan, en wel doordat hij de meest vleiende waardering van het kennen in zich draagt. Zijn meest algemene uitwerking is misleiding — maar ook zijn meest specifieke effecten dragen iets van hetzelfde karakter in zich.

Het intellect, als middel tot behoud van het individu, ontplooit zijn belangrijkste krachten in het vermommen3Verstellung. Dit woord betekent ook: ‘verplaatsing’. Zie noot 6. want dat is het middel waarmee de zwakkere, minder robuuste individuen zich staande houden, omdat hun het voeren van een strijd om het bestaan met hoorns of een scherp roofdiergebit ontzegd is. In de mens bereikt de vermommingskunst haar hoogtepunt: de misleiding, het vleien, liegen en bedriegen, het achter-de-rug-om-praten, het voorstellen, het in verborgen glans leven, het gemaskerd zijn, de verhullende conventie, het toneelspelen voor anderen en zichzelf, kortom, het voortdurende fladderen rond de ene vlam van ijdelheid zijn hier zozeer regel en wet, dat niets onbegrijpelijker is, dan hoe er onder de mensen een eerlijke en zuivere drang naar waarheid kon opkomen. Zij zijn diep gedompeld in illusies en droombeelden, hun oog glijdt slechts over de oppervlakte der dingen in het rond en ziet “vormen”, hun waarneming leidt nooit tot waarheid, maar neemt daarentegen genoegen met het ontvangen van prikkels en zoiets als het spelen van een tastend spel op de rug der dingen. Daarbij laat de mens zich ’s nachts, zijn hele leven lang, voorliegen in dromen, zonder dat zijn gevoel voor moraal dat zelfs maar probeert te voorkomen: terwijl het schijnt dat er mensen zijn, die door sterke wilskracht gestopt zijn met snurken. Wat weet de mens eigenlijk van zichzelf! Is hij zelfs maar in staat zichzelf, als lag hij in een verlichte vitrine, helemaal waar te nemen? Verbergt niet de natuur het allermeest voor hem, zelfs over zijn lichaam, om hem — terzijde van de kronkelingen der darmen, het snelle stromen van het bloed, de ingewikkelde trillingen der vezels — in een trots, begoochelend bewustzijn in te bannen en op te sluiten? Ze wierp de sleutel weg: en wee de noodlottige nieuwsgierigheid, die eens door een kier uit de kamer van het bewustzijn neer zou kunnen kijken en die er dan een vermoeden van zou krijgen, dat de mens berust op het meedogenloze, het gulzige, het onverzadigbare, het moorddadige, in de onverschilligheid van het niet-weten, en als het ware op de rug van een tijger in dromen hangend! Waar ter wereld komt in deze constellatie de drang naar waarheid vandaan?

Voor zover het individu zichzelf ten opzichte van andere individuen handhaven wil, zou het in natuurlijke omstandigheden het intellect vooral slechts gebruiken ter vermomming: echter, omdat de mens tegelijkertijd uit nood en verveling in de maatschappij en in de kudde wil bestaan dient hij vrede te sluiten en streeft hij ernaar, dat ten minste de allergrofste bellum omnium contra omnes4‘Oorlog van allen tegen allen’. uit zijn wereld verdwijnt. Deze overeenkomst brengt echter iets met zich, dat eruit ziet als de eerste stap tot het verlangen van die raadselachtige waarheidsdrang. Nu wordt namelijk dat gefixeerd, wat van nu af aan “waarheid” moet zijn, dat wil zeggen: er wordt voor de dingen een gelijkelijk geldende en bindende benaming uitgevonden en deze jurisdictie van de taal stelt ook de eerste wetten der waarheid op: want hier ontstaat voor het eerst het contrast van waarheid en leugen: een leugenaar gebruikt de gangbare benamingen, de woorden, om het onwerkelijke werkelijk te doen schijnen; hij zegt bijvoorbeeld: “Ik ben rijk,” terwijl voor zijn toestand juist “arm” de correcte benaming zou zijn. Hij misbruikt de vastgelegde conventies door willekeurige verwisseling of zelfs omkering der namen. Als hij dit op baatzuchtige en bovendien schadelijke wijze doet, dan zal de maatschappij hem niet meer vertrouwen en hem hierom buitensluiten. De mensen vermijden daarbij niet zozeer het bedrogen worden als wel het benadeeld worden door bedrog. Ze hebben, ook op dit plan, in feite geen hekel aan de misleiding, maar aan de onaangename, vijandige gevolgen van zekere soorten van misleiding. In een op dezelfde manier beperkte zin wil de mens ook alleen de waarheid. Hij begeert de aangename, levensbehoudende gevolgen van de waarheid; tegenover de zuivere, consequentieloze kennis is hij onverschillig, tegen de wellicht schadelijke, vernietigende waarheden zelfs vijandelijk gestemd. En bovendien: hoe staat het met de genoemde conventies van de taal? Zij zijn wellicht voortbrengselen van de kennis, de waarheidszin: congrueren de betekenissen en de dingen? Is de taal de adequate uitdrukking van alle realiteiten?

Alleen door middel van vergeetachtigheid kan de mens er ooit toe komen te geloven dat hij een waarheid bezit in de zojuist aangeduide graad. Wanneer hij geen genoegen wil nemen met de waarheid in de vorm van de tautologie, dat is: met lege hulzen, dan zal hij eeuwig illusies voor waarheden kopen. Wat is een woord? De afbeelding van een zenuwprikkel in klanken. De zenuwprikkel toeschrijven aan een oorzaak buiten ons, is echter al het resultaat van een vals en niet te rechtvaardigen gebruik van de wet van de toereikende grond.5Een verwijzing naar de beruchte fout van Kant. Nadat hij alle eigenschappen tot aan tijd, ruimte en causaliteit toe van het objectieve Ding an sich had afgetrokken en had bepaald dat deze alleen geldig waren voor de dingen als verschijning, probeerde hij het bestaan van het Ding an sich te bewijzen door te stellen, dat de empirische aanschouwing, of beter gezegd de gewaarwording in onze zintuigen, waar deze aanschouwing uit voortkomt, een uitwendige oorzaak moet hebben. (WWV I, 618) Hier paste hij dus de causaliteit toe buiten de sfeer van de verschijning. Hoe zouden we kunnen zeggen, als bij de genesis der taal de waarheid alléén, als voor de benamingen het gezichtspunt van de waarheid alléén beslissend was geweest, — hoe zouden we dan toch kunnen zeggen: ‘De steen is hard’? Alsof ‘hard’ ons overigens nog bekend is en niet als een geheel subjectieve prikkel! We delen de dingen in naar geslacht, we noemen de boom mannelijk, de plant vrouwelijk: wat een willekeurige overzettingen!6Übertragungen. Nietzsche zelf zag Übertragung als letterlijke vertaling van ‘metafoor’. Μετα-φέρω = ‘ik breng over’ in de zin van: van de ene naar de andere sfeer verplaatsen. (PT, 41 noot 83) Hier is gekozen voor ‘overzetting’, omdat ‘overbrenging’ nog lelijker en vermoedelijk geen Nederlands is. Hoe ver uitgevlogen boven de canon der zekerheid! We spreken van een “slang”: die benaming betreft niets dan het slingeren, en had ook net zo goed aan de worm kunnen toekomen. Wat een willekeurige afbakeningen, wat een eenzijdige bevoorrechting van nu eens deze, dan weer die eigenschap van een ding! De verschillende talen naast elkaar laten zien, dat het bij de woorden nooit op waarheid, nooit op een adequate uitdrukking aankomt: anders waren er immers niet zoveel talen. Het “Ding an sich” (dat zou pas de zuivere, consequentieloze waarheid zijn) is ook voor de talenbouwer totaal onbevattelijk en helemaal niet nastrevenswaard. Hij benoemt niet meer dan de relaties van de dingen tot de mensen en roept om die uit te drukken de stoutste metaforen te hulp. Een zinnenprikkel allereerst overzetten in een beeld! Eerste metafoor. Het beeld weer nagemaakt in een klank! Tweede metafoor. En iedere keer wordt er geheel uit de oorspronkelijke sfeer midden in een volslagen andere en nieuwe sfeer gesprongen. Men kan zich een mens voorstellen, die geheel doof is en nooit een gewaarwording van toon of muziek heeft gehad: zoals deze misschien verwonderd kijkt naar Chladni’s klankfiguren in het zand, hun oorzaak ontdekt in het trillen van de snaar en nu zou zweren dat hij weet, wat de mensen de toon noemen, zo vergaat het ons allen met de taal. Wij geloven dat we iets van de dingen zelf weten, als we over bomen, kleuren, sneeuw en bloemen spreken, maar bezitten toch niets dan metaforen der dingen, die volstrekt niet overeenstemmen met de oorspronkelijke entiteiten. Zoals de toon zich als zandfiguur vertoont, zo doet het raadselachtige X van het Ding an sich zich eerst als zinnenprikkel, dan als afbeelding, ten slotte als klank voor. Logisch gaat het er dus in elk geval niet aan toe bij het ontstaan van de taal, en al het materiaal waarin en waarmee de mens van de waarheid, de onderzoeker, de filosoof werkt en bouwt, is zo niet uit sprookjesland7Wolkenkukuksheim. Waarschijnlijk betrokken van Schopenhauer, die lege, inhoudsloze begrippen als het ‘absolute’, het ‘oneindige’ en het ‘bovenzinnelijke’ omschreef met die term, die afkomstig is uit het Grieks: νεφελοκοκκυγια.WWV, I, 407-408. dan toch in ieder geval niet uit het wezen der dingen afkomstig.

Overwegen we in het bijzonder de vorming van de begrippen8‘Begrip’ zoals gedefinieerd door Schopenhauer: algemene, door abstractie verkregen, voorstelling waaronder verschillende afzonderlijke voorstellingen kunnen worden gesubsumeerd. (WWV, 816): ieder woord wordt direct begrip, doordat het nu juist niet dienst hoort te doen als een soort aandenken aan een eenmalige en geheel en al geïndividualiseerde oergebeurtenis waaraan het zijn ontstaan dankt, maar integendeel doordat het op hetzelfde moment moet passen op talloze, min of meer op elkaar lijkende, ofwel: strikt genomen nooit aan elkaar gelijke, gevallen. Ieder begrip ontstaat uit het gelijkstellen van het niet-gelijke. Zo zeker als nooit enig blad gelijk is aan een ander, zo zeker is het begrip “blad” gevormd door het willekeurig laten vallen van individuele verschillen, door het vergeten van het kenmerkende. Even zeker wekt het begrip “blad” nu het denkbeeld, dat er in de natuur buiten de bladeren iets zou zijn dat “Blad” is, zogezegd een oervorm, waarnaar alle bladeren geweven, geschetst, afgemeten, gekleurd, gekruld, beschilderd zijn, maar dan door onbekwame handen, zodat geen enkel exemplaar correct en geloofwaardig als een trouwe afbeelding van de oervorm is uitgevallen. We noemen een mens eerlijk; “Waarom heeft hij vandaag zo eerlijk gehandeld?” vragen we. Ons antwoord pleegt te luiden: vanwege zijn eerlijkheid. De eerlijkheid! Dat is weer: het Blad is de oorzaak van de bladeren. We weten helemaal niets van een wezenlijke kwaliteit, die eerlijkheid heet, maar wel van talrijke geïndividualiseerde, derhalve ongelijke handelingen, die we door het weglaten van het ongelijke gelijkstellen en nu tot eerlijke handelingen benoemen; uiteindelijk formuleren we op grond van hen een qualitas occulta9“Verborgen kwaliteit.” Uit de scholastiek afkomstige benaming. Bij Schopenhauer (en hier ook) krijgt het de bijbetekenis van “verlegenheidsbegrip”, waarmee men al datgene aanduidt waarvoor men (nog) geen verklaring heeft gevonden. (WWV, 828)met als naam: de eerlijkheid.

Het over het hoofd zien van het individuele en werkelijke levert ons het begrip op, evenals de vorm, terwijl de natuur geen vormen en begrippen en dus ook geen soorten kent, maar alleen een voor ons ontoegankelijk en ondefinieerbaar X. Want ook onze tegenstelling van individu en soort is antropomorf en stamt niet van het wezen der dingen, terwijl we het ook niet moeten wagen te zeggen, dat ze er níet aan beantwoordt: dat zou namelijk een dogmatische bewering zijn en als zodanig even onbewijsbaar als het tegendeel.

Wat is dus waarheid? Een beweeglijk leger van metaforen, metoniemen, antropomorfismen, kortom: een som van menselijke relaties die, poëtisch en retorisch opgeblazen, overgezet en opgesmukt werden en die na lang gebruik een volk vast, canoniek en bindend schijnen: de waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat het illusies zijn, metaforen die opgebruikt en zintuiglijk krachteloos zijn geworden, munten die hun stempelbeeld verloren hebben en die nu als metaal, niet meer als munten beschouwd worden. We weten nog steeds niet, vanwaar de drang naar waarheid stamt: want tot nu toe hebben we slechts gehoord van de verplichting die de maatschappij oplegt om te kunnen bestaan: waarheidslievend te zijn, dat wil zeggen: de gebruikelijke metaforen te gebruiken. Dus, moreel uitgedrukt: wij hebben slechts gehoord van de verplichting volgens vaste conventies te liegen, kuddegewijs in een voor allen bindende stijl te liegen. Nu vergeet de mens natuurlijk, dat het er zo met hem voorstaat; hij liegt dus op de beschreven manier, onbewust en naar honderd jaar oude gewoontes — en komt juist door deze onbewustheid, juist door dit vergeten, tot zijn gevoel van waarheid. Uit het gevoel, verplicht te zijn het ene ding rood, het andere koud, een derde geluidloos te noemen, ontstaat een morele, op waarheid betrokken impuls: aan de hand van het contrast van de leugenaar, die door niemand vertrouwd, door allen uitgesloten wordt, laat de mens zichzelf het eerbiedwaardige, betrouwbare en nuttige van de waarheid zien. Hij plaatst nu zijn handelen als redelijk wezen onder de heerschappij van abstracties: hij kan het niet meer hebben door plotselinge indrukken, aanschouwingen te worden meegesleept, hij veralgemeniseert al deze indrukken eerst tot ontkleurde, koelere begrippen, om daaraan het vaartuig van zijn leven en handelen vast te knopen. Alles wat de mens onderscheidt van het dier berust op dit vermogen de aanschouwelijke metaforen tot een schema te vervluchtigen, ofwel: een beeld in een begrip op te lossen. In het domein van die schemata is namelijk iets mogelijk, wat nooit zou kunnen lukken met de aanschouwelijke eerste indrukken: een piramidale ordening naar kasten en graden op te bouwen, een nieuwe wereld van wetten, privileges, onderschikkingen, afbakeningen te scheppen, die nu — als het vastere, algemenere, bekendere, meer menselijke en op grond daarvan als het regulerende en imperatieve — de andere, aanschouwelijke wereld van de eerste indruk loochent. Terwijl iedere aanschouwingsmetafoor individueel en zonder haar gelijke is en derhalve altijd aan alle rubriceren weet te ontsnappen, toont het grote bouwwerk der begrippen de starre regelmaat van een Romeins columbarium10Grafgewelf, waar lijkurnen in nissen werden bijgezet. en ademt het in haar logica de strengheid en koelte uit, die de wiskunde eigen is. Wie door de adem van deze koelte aangeraakt wordt, zal nauwelijks geloven dat ook het begrip — dat benig is en hoekig en verplaatsbaar als een dobbelsteen — niet meer is dan het residu van een metafoor, en dat de illusie van de artistieke overzetting van een zenuwprikkel in beelden zo niet de moeder, dan wel de grootmoeder is van elk begrip. Binnen dit dobbelspel der begrippen betekent echter “waarheid” — iedere dobbelsteen te gebruiken zoals hij bedoeld is; precies zijn ogen te tellen, de juiste rubriceringen te maken en nooit in strijd met de orde van kasten en rangen te handelen. Zoals de Romeinen en Etrusken de hemel met starre, mathematische lijnen doorsneden en in iedere aldus afgegrensde ruimte een god banden, als in een templum11Templum betekent uiteraard “tempel”, “heiligdom”. Etymologisch stamt het woord van de wortel “tem”, die “snijden” betekent. De eerste betekenis van “templum” is: “het veld van observatie van een vogelwichelaar, die met zijn staf een deel van hemel en aarde afbakende voor zijn waarnemingen”. zo heeft ieder volk een zodanig verdeelde begrippenhemel boven zich en verstaat het onder de waarheidseis, dat iedere begripsgod alleen in zijn eigen sfeer gezocht moet worden. Men mag hier de mens wel bewonderen als een geweldig bouwgenie, dat erin slaagt op beweeglijke fundamenten en, als het ware, op stromend water, een oneindig gecompliceerd bouwwerk te doen torenen; om op zulke fundamenten te rusten moet een gebouw natuurlijk zijn als een spinnenweb: delicaat genoeg om door een golf meegedragen te worden, en sterk genoeg om niet door de wind uit elkaar geblazen te worden. Als bouwgenie verheft de mens zich verre boven de bij: bouwt deze met was, dat hij in de natuur verzamelt, de mens bouwt met de veel delicatere stof der begrippen, die hij eerst uit zichzelf moet fabriceren. Hij is hier zeer te bewonderen — maar niet om zijn drang tot de waarheid, tot het zuivere kennen der dingen. Als iemand iets achter een struik verstopt, het daar gaat zoeken en ook vindt, dan is er niet veel te prijzen aan dat zoeken en vinden: zo staat het er echter voor met het zoeken en vinden van de “waarheid” in het rijk der begrippen. Als ik de definitie van een zoogdier opstel en dan na het inspecteren van een kameel verklaar: “Kijk, een zoogdier,” dan is daarmee weliswaar een waarheid aan het licht gebracht, maar die is dan van beperkte waarde, ik bedoel, ze is door en door antropomorf en bevat geen enkel punt dat waar “an sich”, werkelijk en algemeen geldig is, behalve voor de mens. De onderzoeker van deze waarheden zoekt in de grond van de zaak alleen naar de metamorfose van de wereld in de mens; hij streeft er met alle macht naar, de wereld te begrijpen als was het een mensachtig ding, en bevecht zich in het beste geval het gevoel van assimilatie. Net zoals de astroloog de sterren in dienst van de mensen en in samenhang met hun geluk en leed beschouwt, zo beschouwt zo’n waarheidsvorser de gehele wereld als verbonden aan de mens; als de oneindig gebroken echo van een oerklank: de mens; mens. Zijn methode is: de mens als maat van alle dingen te nemen, waarbij hij echter van de vergissing uitgaat, te geloven dat hij deze dingen als zuivere objecten onmiddellijk12Ontleend aan Schopenhauer. “Onmiddellijk”, als tegendeel van “middellijk”, wil hier zoveel zeggen als dat er tussen de onderzoeker en zijn objecten geen derde instantie als intermediair fungeert. (WWV, 825) voor zich heeft. Hij vergeet dus dat de oorspronkelijke aanschouwingsmetaforen metaforen zijn en ziet ze aan voor de dingen zelf.

Alleen door het vergeten van die primitieve metaforenwereld, alleen door het hard en star worden van een oorspronkelijk in vurige vloeibaarheid uit het oervermogen van de menselijke fantasie stromende beeldenmassa, alleen door het onoverwinnelijke geloof, dat deze zon, dit raam, deze tafel een waarheid an sich is, — kortom, alleen doordat de mens vergeet dat hij een subject, en wel een artistiek scheppend subject is, leeft hij met enige rust, zekerheid en consistentie; als hij maar één ogenblik buiten de gevangenismuren van dit geloof zou kunnen komen, dan was het direct met zijn “zelfbewustzijn” gedaan. Het kost hem al moeite om toe te geven dat een insect of vogel een heel andere wereld waarneemt dan de mens, en dat de vraag, welke wereldperceptie juister is, geheel zinloos is, want om dat te bepalen zou gemeten moeten worden met de maat van de juiste perceptie, ofwel: met een maat die niet voorhanden is. Sowieso lijkt me de juiste perceptie — dat zou zijn: de adequate uitdrukking van een het subject — een contradictoire hersenschim. Want tussen twee absoluut verschillende sferen als subject en object bestaat geen causaliteit, geen juistheid, geen uitdrukking, maar hoogstens een esthetische houding, ik bedoel: een suggererende overzetting, een nastamelende vertaling in een geheel en al vreemde taal — waarvoor echter in ieder geval een vrijelijk dichtende en vrijelijk uitvindende middensfeer en middelende kracht nodig zou zijn.13Zie noot 12. Het woord “verschijning” bevat vele verleidingen, zodat ik het indien mogelijk vermijd: want het is niet waar dat het wezen der dingen in de empirische wereld verschijnt. Een schilder wiens handen hem in de steek laten en die door middel van gezang het beeld in zijn hoofd zou willen uitdrukken, zal met deze verwisseling der sferen nog altijd meer over het wezen der dingen verraden dan de empirische wereld. Zelfs de verhouding van een zenuwprikkel met het gegenereerde beeld is op zichzelf geen noodzakelijke; als echter steeds hetzelfde beeld miljoenen keren gegenereerd en door vele mensengeslachten overerfd is, ja uiteindelijk bij de gehele mensheid als gevolg van dezelfde aanleiding verschijnt, — dan krijgt het ten slotte voor de mens een betekenis als was het het enige noodzakelijke beeld, en als was de verhouding ervan tot de oorspronkelijke zenuwprikkel er een van strenge causaliteit: zoals een eeuwig herhaalde droom geheel en al als werkelijkheid ervaren en beoordeeld zou worden. Maar het hard en star worden van een metafoor garandeert helemaal niets met betrekking tot de noodzakelijkheid en uitsluitende gegrondheid van deze metafoor.

Iedereen die met zulke bespiegelingen vertrouwd is, heeft zonder twijfel een diep wantrouwen ondervonden tegen dit soort idealisme, wanneer hij zich eens echt overtuigde van de eeuwige consequentheid, alomtegenwoordigheid en onfeilbaarheid van de natuurwetten; hij heeft vast geconcludeerd: hier is alles, zover als we doordringen — naar de hoogte van de telescopische wereld en naar de diepte van de microscopische wereld — zo zeker, voltooid, eindeloos, wetmatig en zo zonder gaten; de wetenschap zal eeuwig met succes in deze schachten kunnen graven en al het gevondene zal harmoniëren en de andere vondsten niet tegenspreken. Hoe weinig lijkt dit op een fantasieproduct: want als iets een fantasieproduct is, dan moet het toch ergens de schijn en het irreële verraden. Daartegen is in te brengen: als wij allemaal een verschillende zintuiglijke perceptie hadden, als we nu eens als vogel, dan als worm, dan weer als plant konden percipiëren, — of als de een een prikkel zag als rood, een ander als blauw, terwijl een derde deze prikkel hoorde als toon, — dan zou niemand van zo’n wetmatigheid der natuur spreken, maar zouden we haar slechts als een hoogst subjectief gebouw begrijpen. En dus: wat is een natuurwet helemaal voor ons; zij is ons niet an sich bekend, maar alleen in haar werkingen, dit is: in haar relaties tot andere natuurwetten, die ons op hun beurt ook slechts als relaties bekend zijn. Dus verwijzen al deze relaties altijd maar weer naar elkaar en zijn ze ons naar hun aard door en door duister; alleen dat wat we erbij brengen — de tijd, de ruimte en dus opeenvolgingstoestanden en aantallen — is ons er werkelijk aan bekend. Al het wonderlijke van de natuurwetten dat we met verbazing gade slaan, dat wat onze verklaring eist en ons tot wantrouwen jegens het idealisme zou kunnen verleiden, ligt juist en alleen in de mathematische strengheid en onschendbaarheid van de tijd- en ruimtevoorstellingen. Deze echter maken we in en van onszelf met dezelfde noodzakelijkheid als die waarmee een spin haar web weeft; als we gedwongen zijn alle dingen alleen onder deze vormen van tijd en ruimte te begrijpen, dan is het niet meer verwonderlijk dat we aan alle dingen eigenlijk alleen maar deze vormen begrijpen: want zij moeten alle de wetten van het getal in zich dragen en het getal is precies het verbazingwekkendste in de dingen. Alle wetmatigheid, die ons in de beweging van de sterren en in de chemische processen zo imponeert, valt in de grond van de zaak samen met die eigenschappen die we zelf in de dingen aanbrengen, zodat we onszelf ermee imponeren. Daarbij blijkt natuurlijk, dat de artistieke metaforenbouw, waarmee in ons iedere waarneming begint, die vormen al vóóronderstelt en dat deze in hen voltrokken wordt; slechts uit het vaste volharden van deze oervormen is de mogelijkheid te verklaren, dat naderhand uit de metaforen zelf een gebouw der begrippen gebouwd moet worden. Dit is zogezegd een nabootsing van de tijd-, ruimte- en getalsverhoudingen op de bodem van de metaforen.

Literatuur

  • PT: Friedrich Nietzsche, Philosophy and truth. Selections from Nietzsche’s Notebooks of the early 1870’s, edited and translated by Daniel Breazeale, Humanities Press, New Jersey, 1995.
  • WWV: Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling, vertaald en van commentaar voorzien door Hans Driessen, 2 banden, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1999.

Verantwoording

Ik publiceerde Over waarheid en leugen voor het eerst in Parmentier 11-3, ‘Voer’, Nijmegen 2002. De afgelopen jaren nam ik haar op op mijn persoonlijke website www.bartdegoeij.nl.

Links

Samenvatting
Over waarheid en leugen in buitenmorele zin
Titel
Over waarheid en leugen in buitenmorele zin
Omschrijving
Nederlandse vertaling van Nietzsches Über Wahrheit und Lüge in aussermoralischen Sinne (1873) door Bart de Goeij. Het opstel maakte deel uit van een project dat doorgaans het ‘Filosofenboek’ wordt genoemd, en dat gewijd was aan thema’s als de relatie van de filosoof tot de cultuur en de analyse van waarheid en kennis. Dit is de vertaling van het eerste hoofdstuk, dat gewijd is aan de grenzen van de kennis en het ontstaan van de ‘waarheid’ uit de taal en haar systeem.
Auteur