Het ontstaan van De kamer

De kamer is Harry Mulisch’ eerste gepubliceerde verhaal. Het verscheen in 1947 in Elseviers weekblad en het verschijnen werd door Mulisch zelf als beslissend ervaren. Het feit dat er een werk van hem gedrukt was maakte grote indruk:

Toen ik de krant opensloeg en het zag staan, wist ik: – dit is het. Alles wat er verder in die krant stond, werd overstraald door het licht dat ik toen zag, en ook alles in alle andere kranten en boeken waar ook ter wereld, te land, ter zee of in de lucht, – ik keek naar mijn naam als naar de opkomende, zij het voorshands verkeerd gespelde zon, die sterren en planeten deed verbleken.

Omslag van De kamer

De boekuitgave van De kamer uit 1997

Aldus beschreef hij het op kenmerkende wijze in Mijn getijdenboek, waar een kopie van het verhaal zoals het verscheen in de krant staat afgedrukt (met auteursnaam H.K.V. Mulivsch). Tot een nieuwe publicatie kwam het voorlopig niet; het ontbrak in De verhalen 1947-1977. In 1984 verscheen wel een roofdruk, maar officieel werd het pas gepubliceerd als bijlage bij de cassette De romans (1997).

Mulisch schreef over het ontstaan van De kamer in Zelfportret met tulband. In het ‘Ve vandaag (1946)’ beschrijft hij hoe hij zijn geïnterneerde vader (K.V.K. genoemd) gaat bezoeken. Hij heeft geen geld en gaat liftend door sneeuw en vrieskou naar het kamp in Wezep.

K.V.K. blijkt daar (tijdelijk) blind te zijn geworden als gevolg van diabetes. Ook blijkt dat hij bezig is katholiek te worden. De jonge Mulisch vraagt wanneer hij gedoopt wordt. Na een ellendige thuisreis, waarbij hij van Amsterdam naar Haarlem loopt,

veranderen honger en vermoeidheid in een onnatuurlijke rust, die mij steeds helderder doortrekt. […] Ik ben onkwetsbaar. Ik zal doen: grote dingen. Ik ben verbonden met iets, dat sterker is dan alle mensen; ik ben meer de wereld dan zij.

Hij gaat dan nog het café in en om vijf uur in de ochtend wandelt hij naar huis. Hij komt langs een villa waarvan een raam open staat en waar piano wordt gespeeld. Hoe laat in welke nacht ik ook langskom, hier brandt licht en er wordt piano gespeeld. Dan krijgt hij het idee om een verhaal te schrijven over iemand die langs een kamer komt, waar altijd piano gespeeld wordt; deze kamer gaat hem obsederen, – en verder komt Mulisch niet. Als ik nu eerst eens opschrijf wat ik nu heb… misschien dat ik dan daarna… […] en ga met mijn jas nog aan voor K.V.K.’s schrijftafel zitten. Mulisch suggereert hier, dat hij op deze dag begonnen is aan De kamer. Dat is in die zin aannemelijk, dat de ‘Vandagen’ uit Zelfportret met tulband vrijwel allemaal markante gebeurtenissen beschrijven in het leven van Mulisch (zoals het gesprek met zijn moeder de avond voor haar emigratie naar de Verenigde Staten, en de dood van K.V.K.). Het begin van zijn schrijverschap past hier natuurlijk uitstekend in.


Op basis van informatie uit Mijn getijdenboek wil ik echter een paar kanttekeningen plaatsen bij de voorgestelde gang van zaken in het ‘Ve vandaag (1946)’. Op pagina 96 van het autobiografische fotoboek staat een kopie afgedrukt van de doopakte van K.V.K., gedateerd Den 6 Juni 1946. Mulisch vermeldt:

Vijf maanden na zijn doop werd hij ernstig zenuwziek, vervolgens tijdelijk blind en toen blijvend suikerziek.

En even verder:

En in dezelfde maand waarin mijn vader werd gedoopt, op 16 juni, schreef ik mijn eerste verhaal.

Waarna de kopie van De kamer staat afgedrukt.

Kortom, hier klopt iets niet:

  1. In Mijn getijdenboek wordt K.V.K. blind na zijn doop, terwijl dit in Zelfportret met tulband voor zijn doop gebeurt.
  2. In Mijn getijdenboek meldt Mulisch dat hij De kamer schreef op 16 juni 1946 (in één dag dus), terwijl het ‘Ve vandaag (1946)’ in de winter speelt.

Aangezien Mulisch de informatie in Mijn getijdenboek heeft kunnen baseren op controleerbare bronnen (het is bijvoorbeeld bekend dat hij zijn manuscripten dateerde; de verschijningsdatum van de krant), stel ik voor om die data aan te houden. Daarmee wordt het ‘Ve vandaag (1946)’ dus een autobiografische fictie, waarin Mulisch kennelijk een periode in zijn leven in één fictieve dag heeft samengebald.

Bij het nakijken van deze feiten viel me pas op, dat het ‘Ve vandaag (1946)’ exact te dateren is. K.V.K. kon erg goed hoofdrekenen met de tijd. De eerste keer dat hij zich vergiste, aldus Mulisch, was een maand vóór zijn sterven, toen hij op 10 juni klaagde dat iedereen zijn verjaardag vergeten was. Hij was echter op 10 juli jarig (en op die dag zou hij sterven).

Toen hij dat zei, wist ik dat hij al in de landschappen van de dood keek. Voor het eerst in zijn leven had hij een vergissing gemaakt met de tijd. Vroeger keek hij soms een uur lang voor zich uit en zei dan plotseling, dat het precies 22 jaar, 21 maanden en 20 weken geleden was, dat Italië de oorlog verklaarde aan Oostenrijk, en dat hij 19 dagen laten naar het front aan de Isonzo vertrok. Het klopte altijd, schrikkeljaren in aanmerking genomen. Voor het eerst had hij zich vergist – hij zou zich revancheren. Hij wachtte een maand […], hij werd 65 jaar.

Tijdens het bezoek van de jonge Mulisch zegt K.V.K.: ‘Je bent nu achttien jaar, zes maanden en elf dagen oud.’ Mulisch is geboren op 29 juli 1927. Tel je daar 18 jaar, 6 maanden en 11 dagen bij op dan kom je op 9 februari 1946. De ochtend erop, als Mulisch na vijven het idee krijgt voor zijn eerste verhaal, is het dus 10 februari.

Het merkwaardige is dat deze datum net iets minder dan één jaar voor de publicatie van De kamer ligt: het verhaal verscheen blijkens Mijn getijdenboek op 8 februari 1947. Het feit dat Mulisch dit ‘Vandaag’ zo specifiek laat dateren door zijn vader, die zich nooit vertelde met de tijd, lijkt toch aan te geven dat het eigenlijk de bedoeling was dat het ‘Ve vandaag (1947)’ exact een jaar vóór de publicatie van De kamer had moeten spelen.

Moeten we hier iets achter zoeken? Klopt de datering van de publicatie in Mijn getijdenboek niet? Of heeft Mulisch zich hier op zijn beurt verteld? – Een postume revanche van K.V.K.?

Omgekeerde causaliteit

Dan nu de vraag in welk opzicht De kamer thematisch van betekenis is binnen het oeuvre.

In het verhaal wordt een jongeman mateloos geboeid door een kamer in een huis, waar altijd muziek uit komt. Hij probeert uit te vinden hoe dat komt, maar wordt niets wijzer. Hij verlaat zijn geboortestad en komt vele jaren later terug. Hij geeft zijn notaris opdracht een huis voor hem te huren en toevallig is dat het huis met de kamer. Hij gebruikt deze kamer als slaapkamer. Hij krijgt dan een onbekende, ongeneeslijke ziekte. Hij weet nu wat hem zo in de kamer aan heeft getrokken: het is zijn sterfkamer.

De kamer is de eerste Mulisch, maar omdat het een bijzonder kort verhaal is, is het natuurlijk lastig om te zeggen of we hier (al) met een typische Mulisch van doen hebben. Eigenlijk is er slechts één thema, maar dat is mijns inziens wel degelijk typerend: dat van de omgekeerde causaliteit.

Het gaat hier om een “teken”, dat alleen bovennatuurlijk te verklaren is. De sterfkamer trekt de hoofdpersoon jaren vóór diens overlijden al aan. Het is geen self-fulfilling prophecy, want het is niet de hoofdpersoon zelf die het huis huurt, al kiest hij er zelf voor om in de kamer te gaan slapen.

Wie werken als Voer voor psychologen, Paniek der onschuld en Het seksuele bolwerk heeft gelezen, weet dat Mulisch van jongs af aan interesse heeft gehad in zowel de wetenschap als in het occultisme. Kenmerkend is, dat hij in feite ontkent dat dit twee tegendelen zijn. De werkelijkheid, zo kunnen we samenvatten, functioneert weliswaar conform de wetten van de natuurkunde, maar is dermate groot en ingewikkeld, dat de wetenschappelijke verklaring voor alledag niet echt bruikbaar is. De mens ziet vaak heel andere dingen: tekenen, voorspellingen. Dat deze objectief niet bestaan, maar alleen voor de persoon die deze “tekenen” waarneemt dan wel construeert, doet er volgens Mulisch niet toe. De waarde van deze tekenen zit hem niet in hun (gebrek aan) waarheid, maar in de vaak verrassende inzichten die ze opleveren.Deze opvattingen, hier samengevat en samengesteld op basis van in wezen heel Mulisch’ oeuvre, komen dicht in de buurt van Schopenhauers geniebegrip. Ik hoop hier in een nieuwe notitie op terug te komen. Het klassieke citaat in dit verband komt uit zijn necrologie van Godfried Bomans, Hij minder en minder:

Omdat mijn vriend Hein Donner de kortste dag van het jaar had uitgekozen om te trouwen, vierden wij zijn huwelijksfeest in de langste nacht. Sentimenteel aangeschoten vertelde ik hem die nacht, dat ik zijn naam voor het eerst had gehoord van Godfried Bomans, in 1950, toen hij zei: Donner staat voor. Dat ging over schaken, en om een of andere reden zag ik een gezette heer van middelbare leeftijd voor mij, die voorstond. In diezelfde langste nacht van het jaar 1971 stierf Godfried Bomans.

Daar heb je het weer. Wat zijn dat voor brandpunten van feiten, die zich steeds op elementaire ogenblikken van het leven voordoen? Of liever: die door hun optreden een ogenblik als elementair constitueren. Het zou een onderwerp zijn om met Godfried te bespreken […] Ik denk dat wij ten slotte zouden zijn uitgekomen bij de opvatting, dat zulke “tekenen” inderdaad bestaan, maar alleen in zover zijn gezien worden. Worden zij niet gezien, dan zijn zij er ook niet. Het zijn geen feiten, maar betekenissen. Zij zijn een menselijke creatie.

In zijn scheppende oeuvre presenteert Mulisch dit soort gecreëerde betekenissen echter vaak als “tekenen” voor zijn personages, zonder de nuancerende context van dit citaat. Dat is dus geen reden om te veronderstellen dat Mulisch in zijn verhalend werk zou willen laten zien dat er meer is tussen hemel en aarde of iets dergelijks. Hij neemt in feite een positie in tussen religieus of occult bijgeloof enerzijds, en een al te zwartwit positivisme anderzijds. Of beter: hij neemt een positie in, die de beide andere in stand laat.


Herlezen

Voor deze notitie heb ik De kamer herlezen in oktober 2014.

Het ontstaan van De kamer
Het ontstaan van het debuutverhaal De kamer van Harry Mulisch, en een beschouwing over omgekeerde causaliteit in zijn werk. Bart de Goeij herleest het oeuvre van Mulisch.