Het mirakel (2) ⋆ Zang

Rome brandt, Nero zingt (Zang, Het mirakel, Harry Mulisch)

Rome brandt, Nero zingt

Het verhaal Zang, uit de bundel Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen (1955), is typisch voor de bundel als geheel. Zoals ik eerder schreef in Het mirakel (1) ⋆ Gelijkenis, is deze verhalenbundel te beschouwen als een verzameling proefboringen naar thema’s en obsessies die steeds in Mulisch’ oeuvre terugkomen.

De hoofdpersoon, de heer Tiennoppen, krijgt in deze vertelling het masker op van de Romeinse keizer Nero.

Zang beschrijft hoe de heer Tiennoppen zich ergert aan de herrie die veroorzaakt wordt door een melkfabriek vlakbij zijn woning. Vooral het gezang van de arbeiders, maar ook dat van de omwonenden drijft hem tot waanzin.

Iedereen zong. De omwonenden in hun huizen niet minder dan de mannen op het platform en de boeren in hun auto’s; en ook uit het ingewand der fabriek, door al het misbaar heen, weerklonken machtige koren met eenzame falsetstemmen duizelend er bovenuit.

Het woord ingewand is uiteraard een antropomorfisme, dat zijn betekenis even verderop krijgt:

Toen hoorde de heer Tiennoppen zijn vrouw in de keuken, hoe ook zij zong: voor het eerst, – en toen wist hij ineens, dat de wereld zong en melk maakte om hem te sarren: uitsluitend en alleen om hem ten dode te sarren door hem van zijn slaap te beroven.

De vrouw wordt hier, zéér politiek incorrect natuurlijk, melkfabriek genoemd.

In elk geval besluit Tiennoppen om op te treden. ’s Nachts glipt hij zijn woning uit en breekt in in de melkfabriek. Daar gaat hij met kannen benzine in de weer.

De laatste kan droeg hij ondersteboven naar de deur, plensde de rest ertegenaan en stak een sigaret op. De lucifer vergat hij te doven, hetgeen zeer gevaarlijk bleek te zijn, want dadelijk vloog alles in brand. Iedereen slaapt, dacht hij, en giechelde verstolen toen hij het vuur als een beest door de ruimte zag snellen, veel omvattend, als een onzedelijke hand in de kelder zag grijpen en tegen de muren klimmen, de fabriek feestelijk illuminerend.

Merk op dat na de gelijkstelling vrouw-melkfabriek hier de vernietiging door het vuur geërotiseerd wordt.

Tiennoppen gaat op zijn balkon staan en rookt een pijpje, terwijl hij de brand bekijkt.

Nu was de hele wereld in rep en roer, en hoor, niemand zong, één uitgezonderd: de heer Tiennoppen. Neuriënd stond hij op het balkon en rookte zijn pijpje.

Tiennoppen als Nero, de melkfabriek als Dresden

Het verhaal Zang staat in verband met het fragment De grafsteen van Petrus, het hanen-ei, waarin Mulisch een proeve van een heterodoxe geschiedschrijving wijdt aan de Sint Pieterskerk in Rome. Zoals bekend is de Sint Pieter gebouwd op de plaats van het circus van keizer Nero, waar Petrus (ondersteboven) gekruisigd is. Nero ging tot massale executie van christenen over omdat die verantwoordelijk werden gehouden voor de grote brand van Rome.

Mulisch beschrijft in het fragment hoe Nero met zijn luit de brand in de stad bekeek en bezong.

‘Mijn luit!’

Met de gloed van de vlammen op zijn gezicht tokkelt de keizer een wijsje, dat hij in Griekenland heeft geleerd. Troje! Troje! Dankbaarheid vervult hem jegens de christenen, dat zij, opgehitst door PETRUS & PAULUS, de heidense stad in brand hebben gestoken: nu kan hij eindelijk zijn grootse publieke werken verwezenlijken. Kijk hem daar staan, hoog op de Palatijn. Wat is hij gelukkig, die schat.

Vooral ook omdat hij, behalve de stad grootser dan ooit herbouwen, nu tegelijk de christenen kan uitroeien.

De kapitaliseringen zijn van Mulisch.

Deze lijn laat zich verder trekken naar Het stenen bruidsbed, waarvan het tweede motto (uit Tacitus’ Annalen luidt:

Hoe populair dit ook was, het miste zijn uitwerking, omdat het gerucht ging dat Nero tijdens het branden van de stad in zijn paleis het toneel besteeg en Troje’s ondergang bezongen had, de huidige ramp vergelijkend met vernietigingstaferelen uit de voortijd.

Het motief van het bekijken en bezingen van de verwoesting is in de gehele roman zichtbaar. Onder meer Donner heeft erop gewezen dat het Tacitus-motto ook de schrijver Mulisch betreft: ook die “bezingt” met zijn roman de vernietiging (Dit bijzonder ongepaste optreden, in homerische zangen te gaan brallen over zoiets verschrikkelijks, is precies wat de schrijver doet.)

Deze samenhangen zijn welbekend uit de secundaire literatuur over Het stenen bruidsbed, evenals de gelijkstelling vrouw-stad, die teruggaat op de Trojaanse oorlog (vergelijk het eerste motto van de roman, uit Homerus’ Ilias). De gelijkstelling oorlog-erotiek hoort hierin thuis. Ook dit belangrijke motief zien we al optreden in Zang, met dien verstande dat de melkfabriek in het verhaal de plaats inneemt van de stad:

  1. Tiennoppen stelt zijn zingende vrouw op één lijn met de melkfabriek, nadat deze al een ingewand blijkt te hebben.
  2. De erotisering van het verwoestende vuur door de metafoor als een onzedelijke hand in de kelder zag grijpen.

Kortom, het is aannemelijk om Zang te zien als een voorstudie voor Het stenen bruidsbed. In dat licht herken ik ook de volgende zinsnede uit Het stenen bruidsbed, waarin Corinth Hella bijna in bed heeft.

Trillend staarde zij in het bavianengezicht, waarin de dood experimenteerde, en dat nu zo dichtbij was, en zij wist dat zij er aan overgeleverd was; het was haar of hij zijn arm tot in zijn oksel in haar lichaam had gestoken en het deed haar sidderen van genot […]

Het stenen bruidsbed, p. 102

Hein Donner wees in Mulisch, naar ik veronderstel al op de gelijkstelling Tiennoppens vrouw-melkfabriek, maar hij bezag deze in het licht van het thema moedermoord.

De psychologisch getrainde lezer herkent in dit verhaal voor het eerst het centrale thema van de moedermoord (melkfabriek!).

Het verband met Het stenen bruidsbed legt hij niet, terwijl dit bepaald niet vergezocht is. Zoals helaas vaker, laat Donner zich hier verblinden door zijn psychologiserende invalshoek. Ik vergeef hem dat overigens graag, want vaak komt hij dankzij deze invalshoek tot geniale vondsten en indrukwekkende inzichten.

Zingen over de vernietiging is wat Mulisch in zijn gehele oeuvre doet. Oorlog en brand komen in het latere oeuvre niet meer op deze manier voor, maar als we ons realiseren dat het met Mulisch’ hoofdpersonen in het algemeen slecht afloopt, dan is het hun vernietiging die deze schrijver steeds bezingt, tot en met Rudolf Herter uit Siegfried. Het mirakel bevat van dit thema een van de eerste uitwerkingen.


Herlezen

Voor deze notitie heb ik Het mirakel herlezen in november 2014. Ik heb ook notities geschreven over de verhalen Gelijkenis en Schaduwgesprek.

Het mirakel (2) ⋆ Zang
Het mirakel (2) ⋆ Zang
Tweede notitie over de verhalenbundel Het mirakel (1955). Het verhaal Zang wordt besproken, met aandacht voor zijn relatie met Het stenen bruidsbed.