Het mirakel (3) ⋆ Schaduwgesprek

Goethe (In Het mirakel wordt Tiennoppen naar hem gemodelleerd in het verhaal Schaduwgesprek)

J.W. von Goethe. In Het mirakel wordt Tiennoppen naar hem gemodelleerd in het verhaal Schaduwgesprek.

Schaduwgesprek is mijn favoriete verhaal uit de bundel Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen. Zoals ik eerder schreef, is het hoofdpersonage Tiennoppen geen consistent karakter, maar speelt hij in vrijwel alle verhalen een volkomen andere rol. In Schaduwgesprek blijkt hij samen te vallen met de figuur van Goethe, zoals deze beschreven wordt in Eckermanns Gespräche mit Goethe in den letzten Jahren seines Lebens.

Het perspectief ligt in dit verhaal niet bij de heer Tiennoppen zelf, maar bij een bewonderende ik-verteller, die een verslag schrijft van een ontmoeting met de goddelijke, de geestesvorst, de heer Tiennoppen.Ter bevestiging van mijn opvatting van de heer Tiennoppen als een niet- of zelfs anti-karakter, het volgende citaat uit Schaduwgesprek: Steeds weer was hij dezelfde en steeds weer een ander. Dit zijn natuurlijk de woorden van de “Eckermann” over de Goethe-Tiennoppen, maar ik ben toch zo vrij ze als een aanwijzing op te vatten. Bij wijze van verantwoording staat aan het einde van het verhaal:

(Meer gevangen dan vrij naar een op woensdag 18 april 1827 te Weimar gevoerd gesprek.)

De verwijzing naar Eckermann, die zijn gesprekken keurig dateerde, is kortom niet te missen.

Mulisch, Bomans en Eckermann

Mulisch’ bewondering voor de persoon en het oeuvre van Goethe is algemeen bekend, maar hij was ook een liefhebber van Eckermanns werk over de Duitse auteur. Met zijn vriend Godfried Bomans vormde Mulisch de zogenaamde Eckermann Gesellschaft.

Nog in februari 1971 stuurde [Bomans] mij de jaargang 1885 van De Gids, die hij ergens op de kop had getikt, met de opdracht:

Lieber Johann Peter!

Ich glaube dass diese 4 Bände manches erquickliches für Sie umfassen könnten. Ich schenke Sie Ihnen.Boisseree

In die stijl van Johann Peter Eckermann plachten wij elkaar vroeger hele brieven te schrijven; zijn boek, Gespräche mit Goethe, kenden wij natuurlijk vrijwel uit ons hoofd, en wij ondertekenden met de namen van andere vrienden van Goethe, die er in voorkwamen.

Uit: Hij minder en minder, in: Paniek der onschuld, Amsterdam 1979

Mulisch vermeldt dat Bomans en hij wel beseften dat de Goethe uit Eckermanns boek niet bestond behalve in dat boek: daarom vormden wij ook niet een Goethe Gesellschaft, maar de Eckermann Gesellschaft. Deze Goethe had van alles verstand, behalve van vogels, en Eckermann had van niets verstand behalve van vogels. Mulisch geeft als voorbeeld dat Goethe eens op mussen wijzend vroeg of het leeuweriken waren, waarna Eckermann bladzijden lang over vogels uit kon wijden. Bomans en Mulisch gebruikten onderling de volgende woorden van Eckermann, wanneer ze vonden dat de ander onzin beweerde:

Du Grosser och Lieber, der Du die ganze Natur wie wenig Andere durchforschet hat, in der Ornithologie scheinst Du ein Kind zu sein!

Even verder meldt hij:

Mijn eigen commentaar op onze Goethe heb ik destijds geleverd in een kort verhaal, Schaduwgesprek, opgenomen in Het mirakel.

Vergelijking met Eckermann

De woorden meer vrij dan gevangen zijn overigens enigszins overdreven. Je zou op grond daarvan denken dat Mulisch Eckermanns aantekening van min of meer vrij zou hebben vertaald, of minimaal als leidraad zou hebben aangehouden. Dat is echter niet het geval. Op grond van een vergelijking met Eckermanns tekst, stel ik een driedeling voor:

p. 39-40
Inleidende beschrijving van de avond, de heer Tiennoppen en de verhouding die de ik-persoon tot hem heeft. Tekst van Mulisch, met Eckermanniaanse wendingen, mogelijk uit andere gespräche.
p. 41-43
Gesprek over een landschap van Rubens. Vrije vertaling, met enkele ingrepen, van Eckermanns tekst.
p. 43
Laatste alinea’s met Tiennoppens ontboezeming over zijn kunstenaarschap. Mulisch’ woorden.

Inleidende beschrijving

Over de inleidende beschrijving kan ik betrekkelijk kort zijn. Hier heeft Mulisch zich uitgeleefd in het weergeven van de bewondering van de ik-verteller voor de heer Tiennoppen. Deze wordt onder meer de goddelijke en de geestesvorst genoemd, terwijl de ik-verteller zichzelf en zijn aabidding kenschetst met frasen als:

Mijn hart was warm en vol van de woorden die hij had gesproken: jeugdig voortbruisend als een bergbeek hadden zij het grootste en beste onthuld, dat in zijn rijke en edele persoonlijkheid verborgen lag.

En:

Stralend van geluk nam ik deze uitnodiging aan.

De ironie wordt tot het uiterste opgedreven:

Terwijl buiten het hemelvuur waarde en de natuur zich laafde, ontstak de meester op de hem eigen onovertroffen wijze verscheidene kaarsen.

Over het landschap van Rubens

Hier volgt Mulisch Eckermanns tekst vrij nauwkeurig. Goethe laat Eckermann een landschap van Rubens zien en beschrijven. Eckermann merkt, door Goethe geleid, op dat een fraai contrast wordt bereikt doordat in het schilderij het licht van twee kanten komt. Eckermann noemt dat tegennatuurlijk, Goethe zegt dat het hoger is dan de natuur. Hij houdt dan een verhandeling over de relatie van de kunstenaar met de natuur. In de woorden van Tiennoppen:

De kunstenaar staat in een dubbele verhouding tot de werkelijkheid: hij is tegelijk haar meester en haar slaaf. Hij is haar slaaf in zoverre hij met aardse middelen moet werken om verstaan te worden; haar meester echter, in zoverre hij deze aardse middelen aan zijn hogere doelstellingen onderwerpt. De kunstenaar, mijn beste, wil tot de wereld spreken door middel van een totaliteit; deze totaliteit vindt hij echter niet in de werkelijkheid, doch zij is de vrucht van zijn eigen geest, of, als u wilt, het aanwaaien van de goddelijke adem.

Enkele ingrepen van Mulisch wil ik hier voor de volledigheid noemen:

  1. Ingevoegd, nadat Goethe/Tiennoppen Eckermann/de ik-figuur gevraagd heeft te beschrijven wat hij ziet in het landschap: Ik begreep dat het zijn bedoeling was, mij in de kunstbeschouwing op een hogere trap van inzicht te brengen.
  2. Door Mulisch weggelaten: “Der Künstler”, fuhr Goethe fort, “muß freilich die Natur im einzelnen treu und fromm nachbilden, er darf in dem Knochenbau und der Lage von Sehnen und Muskeln eines Tieres nichts willkürlich ändern, so daß dadurch der eigentümliche Charakter verletzt würde; denn das hieße die Natur vernichten. Allein in den höheren Regionen des künstlerischen Verfahrens, wodurch ein Bild zum eigentlichen Bilde wird, hat er ein freieres Spiel, und er darf hier sogar zu Fiktionen schreiten, wie Rubens in dieser Landschaft mit dem doppelten Lichte getan.”
  3. Hierna blijft Goethe spreken van de natuur, waar Tiennoppen het woord werkelijkheid gebruikt.
  4. Door Mulisch weggelaten: Betrachten wir diese Landschaft von Rubens nur so obenhin, so kommt uns alles so natürlich vor, als sei es nur geradezu von der Natur abgeschrieben. Es ist aber nicht so.

Tiennoppen over het kunstenaarschap

Goethe en Eckermann spreken verder over het optreden van iets vergelijkbaars in de literatuur. Goethe zegt dat het bij Shakespeare veel voorkomt: tegenstrijdigheden, die echter de kracht van de woorden in het stuk (MacBeth in zijn voorbeeld) vergroten.

“Überhaupt”, fuhr Goethe fort, “sollen wir es mit dem Pinselstriche eines Malers oder dem Worte eines Dichters nicht so genau und kleinlich nehmen; vielmehr sollen wir ein Kunstwerk, das mit kühnem und freiem Geiste gemacht worden, auch wo möglich mit ebensolchem Geiste wieder anschauen und genießen.”

De heer Tiennoppen heeft daarentegen een moeilijk moment na zijn exposé.

Ach! toen zag ik hoe moe en gebroken hij was…

Ook mijn schaduw, sprak hij met zijn onvergelijkelijke stem, vriend, ook mijn schaduw bevindt zich tussen mij en het licht. Ook ik, zei hij, ben zo’n bomengroep die huiswaarts verlangende mensen, zoals jij, de tegennatuurlijke schaduw tegemoet werpt, waarin zij lafenis vinden en wondermooi schijnen.

De poëtica van Schaduwgesprek

Schaduwgesprek is kortom ontstaan als een neerslag van de Eckermann Gesellschaft die Mulisch met Bomans vormde. De ironie van het eerste deel van het verhaal getuigt daarvan. Maar in de woorden van Goethe uit het tweede deel (waarin Natur vertaald is als werkelijkheid) wordt ook de opvatting van Harry Mulisch uitgesproken: een romantische opvatting van het kunstenaarschap, waarin de bedoelingen van de auteur hoger staan dan (de wetten van) de werkelijkheid.

Wie enigszins thuis is in de beeldspraak binnen Mulisch’ oeuvre, zal weten dat schaduw een metafoor is voor het werk van de schrijver. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de novelle Het beeld en de klok. Het laatste citaat van Tiennoppen wordt daarmee een stuk helderder.


Herlezen

Voor deze notitie heb ik Het mirakel herlezen in november 2014. Ik heb ook notities geschreven over de verhalen Zang en Gelijkenis.

Bronnen

Samenvatting
Het mirakel (3) ⋆ Schaduwgesprek
Titel
Het mirakel (3) ⋆ Schaduwgesprek
Omschrijving
Derde notitie over de verhalenbundel Het mirakel (1955). Het verhaal Schaduwgesprek wordt besproken, waarin de heer Tiennoppen als Goethe optreedt.
Auteur