Het mirakel (1) ⋆ Gelijkenis

Het mirakelLang geleden, in 2000, schreef ik voor het Nijmeegse vakgroepsblad Letterlik een stuk over Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen. Het artikel heette Het mooiste kleintje. Over ‘Het mirakel van Harry Mulisch’. Ik kan het nu niet terugvinden, maar herinner me vagelijk welke onderwerpen ik aansneed. Op deze website ga ik dat artikel dunnetjes overdoen. Niet omdat dat artikel zo goed was (al herinner ik me dat het lang niet slecht was), maar vooral omdat Het mirakel de aandacht verdient, zoals ik hoop aan te tonen met deze en de volgende notities.

Hoewel alle verhalen uit de bundel om dezelfde persoon draaien, namelijk de heer Tiennoppen, kun je eigenlijk niet spreken van een hoofdpersoon. De enige overeenkomsten tussen de protagonisten van de verschillende verhalen zijn de naam Tiennoppen en hun gezinssituatie. Als Mulisch voor ieder verhaal een andere naam had bedacht, dan zou dat niet wezenlijk hebben uitgemaakt, behalve de humor die schuilt in de afwisseling van rollen die Tiennoppen te spelen krijgt (die van pyromaan, brave huisvader, filosoferende moordenaar, Goethe, …).

Het verhaal Gelijkenis staat wat dat betreft model voor de hele bundel. De heer Tiennoppen reist per trein terug naar zijn woonplaats en wordt eerst door een andere passagier herkend als haar overleden man, vervolgens door een student als een illusionist, daarna door een man als een kennis. Dit amuseert de heer Tiennoppen aanvankelijk, maar als hij op het station door een vrouw herkend wordt als haar minnaar, waarna zij haar echtgenoot in de armen valt, begint hij zich te identificeren met de minnaar:

Met gebogen hoofd betrad de heer Tiennoppen de stad.

Hij besefte dat hij zijn geliefde verloren had. Zij zat met haar man in een tram of een taxi en reed zijn leven uit. Morgen zou zij hem als niet meer herkennen. Daar loop ik nu, dacht de heer Tiennoppen. Wie ben ik?

Het aantal herkenningen begint nu uit de hand te lopen:

Het begin hem op te vallen, dat steeds meer onbekenden hem groetten: soms hautain, dat waren superieuren – soms vlijtig en beleefd, dat waren de ondergeschikten. In het voorbijgaan trachtte hij snel zijn houding te bepalen, ten einde geen verwarring of onheil te stichten in de gemeenschap, hetgeen hem zeer vermoeide.

Ook de ernst van de herkenningen neemt toe: hij wordt aangezien voor een gevaarlijke crimineel, als de weggelopen verwekker van een kind. En ten slotte wordt hij herkend als Franken, een weggelopen, ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger. Tiennoppen beseft dan: Ik lijk alleen op hem, die afwezig is. Op het politiebureau herkent zijn eigen vrouw hem niet meer, zodat hij de volgende dag geëxecuteerd zal worden. Maar dan is Tiennoppen al tot inzicht gekomen: Er kan mij niets gebeuren, verzekerde hij zichzelf, – ik ben afwezig.

Zoals hij in Gelijkenis steeds op iemand anders lijkt, zo speelt hij in de bundel als geheel steeds weer een andere rol. En in de verhalen waarover je redelijkerwijs zou kunnen volhouden dat het hier gaat om eenzelfde Tiennoppen als in andere verhalen, daar heeft dit feit geen enkele invloed op de verhaalgebeurtenissen.

Tiennoppen is kortom geen karakter, hij is het tegendeel van een karakter.

Het is verleidelijk om hier de filosofie van masker en niets van Harry Mulisch in te herkennen, zoals hij die geëxpliciteerd heeft in Zelfportret met tulband. Ook in De toekomst van gisteren schrijft hij hierover (in het hoofdstuk ‘Karakter is moord’). Deze filosofie – in haar sociologische invulling – stelt dat de mens in de kern niets is, en dat zijn bestaan een masker is, dat hem door de anderen wordt opgezet. We weten dat Mulisch hier in deze jaren al over nadacht, want de kiemen van de filosofie van masker en niets liggen in de novelle Tussen sterven en begraven, die in 1953 geschreven werd.

Het verhaal Gelijkenis en Het mirakel als geheel zijn een eerste, tamelijk humoristische uitwerking van de filosofie van masker en niets. Zoals ik in volgende notities wil laten zien, geldt niet alleen voor Zang, maar voor de meeste verhalen uit Het mirakel dat ze een soort proefboringen zijn naar thema’s en obsessies die terug zouden komen in zijn verdere oeuvre.

Zo beschouwde J.H. Donner Het mirakel overigens ook (in Mulisch, naar ik veronderstel):

De Tiennoppen-verhalen moeten echter worden opgevat als een systematische rangschikking van thema’s en motieven, die voor de Mulische verbeeldingswereld zelf zeer karakteristiek zijn.

Waar de naam Tiennoppen overigens vandaan komt, weet ik niet. Hij is te associëren met de naam van de großonkel van Hans Castorp uit Der Zaubergberg, Konsul Tienappel. Ik geloof overigens niet dat ik aan deze associatie betekenis toe zou (kunnen) kennen. Op zijn best heeft Mulisch een naam gezocht en die gevonden in het werk van zijn leermeester Thomas Mann.

Dat deed hij wel vaker: de naam Zimbalist uit het onvoltooide toneelstuk Het twaalfde huis van Monsieur Zimbalist heeft hij uit Doctor Faustus; het is de naam van de tweede arts die Leverkühn bezoekt na zijn besmetting.


Herlezen

Voor deze notitie heb ik Het mirakel herlezen in november 2014. Ik heb ook notities geschreven over de verhalen Zang en Schaduwgesprek.

Het mirakel
Het mirakel
Het mirakel is een van Mulisch’ vroegste publicaties. De verhalen, gepubliceerd in 1955, gaan over de heer Tiennoppen, een held en anti-held tegelijk.